Sinds een aantal weken sport ik. Geen Usain Bolt-niveau, maar voor iemand wiens sportieve hoogtepunt voor ruim tien jaar uit een Veluwse fietstocht bestond, ben ik op de goede weg.
Vol frisse tegenzin probeer ik drie keer per week richting de sportschool te rijden. Probeer, want in mijn hoofd praat ik natuurlijk steeds goed dat twee keer ook al een hele prestatie is en dat die drie keer soms niet kan lukken. Als ik eenmaal voet heb gezet in het heiligdom der anabolen loop ik zelfverzekerd richting de balie om mijn pas te scannen. Dit vergt nogal veel concentratievermogen, want het verrekte ding werkt niet altijd mee. En wat is het gevolg als je verkeerd scant? Een piep waar Lassie doof van zou worden en een hele sportschool die je aanstaart op weg naar de kleedkamer. Ik heb al menig huisvrouw al ten onder zien gaan aan de druk!
Zoals elke pro betaamt heb ik een vast, bikkelhard schema. Eerst een half uur fatburnen op de crosstrainer, daarna een rondje apparaten en om af te sluiten een kwartier bergwandelen op de loopband. Het fijne aan de moderne apparaten is ook dat ze zo makkelijk bedienbaar zijn en je daardoor extra snel kunt beginnen. Je hoeft slechts je gewicht, leeftijd, snelheid, programma, favoriete eten, bloedgroep, hoogste genoten opleiding en haarkleur in te voeren en je training gaat van start!
Vol energie leg ik een paar honderd meter af voordat de eerste piep alweer te horen is. Of ik mijn handen wat beter op de sensoren wil houden zodat mijn hartslag kan worden gemeten. Vanaf dat moment weet ik dat het een gestreden strijd is. Drie seconde later zal de piep namelijk weer te horen zijn. Ik veeg daarop mijn handen nogmaals af en ga door. Het lijkt even goed te gaan, maar geef het een minuut en dan begint de ellende weer. Overschakelen op manueel komt in beeld waarna het apparaat vol lawaai -je raadt het al- overschakelt op manueel. Hierop voer ik mijn gegevens wederom in en dan lijkt het goed te gaan. Lijkt, want het hele circus begint dan gewoon weer vrolijk van voor af aan.
Eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik het na vijf minuten eigenlijk ook al wel heb gezien. Gelukkig is het haast soap-waardig om naar de overige sporters te kijken. Je hebt de kansloze sporters die er alles aan doen om op Arnold Schwarzenegger te lijken. De moeders die proberen in shape te komen mocht Arnold S. ooit op de stoep staan. De iele tienerjochies die al blij zijn als ze ooit het gewicht van de sporttas van Arnie op kunnen tillen. En dan zijn er ook nog mensen, die zoals ik, Arnold vooral zien als een middelmatige acteur met humoristische catchphrases. Het is dus een warboel van mensen, maar een ding heeft iedereen met elkaar gemeen. Iedereen is in het bezit van een handdoekje.
In het dagelijks leven mag de handdoek dan weinig voorstellen, maar binnen de muren van de sportschool is het een machtig voorwerp. Met een kracht waar zelfs de Berlijnse Muur jaloers op zou zijn geweest domineert het synthetische lapje als een Griekse God. Iedereen heeft er ontzag voor en niemand die eraan denkt ongevraagd andermans handdoek weg te halen. Voor de verveelde sporter levert dit dan ook veel humoristische situaties en dodelijke blikken op. Wil moeder Gerda ein-de-lijk op de hometrainer stappen, gooit anabool nummer 14 er snel zijn handdoek op. Als blikken konden doden...
Puffend als een oude stoomlocomotief slenter ik na een half uur crosstrainen en driekwartier hangen aan de fitness-apparaten richting de loopband voor een afsluitend kwartiertje. Weerstand op maximaal en eens even die kuiten aan de slag zetten. Dit is het enige moment waarop ik blij ben met de muziekkeuze van de CoolCat-liefhebbende medewerkster. Binnen de sportschools muren is de sfeer namelijk nogal hardstyleminded. Gelukkig heb ik daar mijn iPhone en oordopjes voor, maar het laatste kwartier geef ik mezelf altijd over aan het muzikale geweld en doe gezellig mee. Stampend werk ik er nog even 250 calorieën vanaf en dan vind ik het wel weer mooi geweest. Ik gooi mijn handdoek in de ring en fiets naar huis.
Tot over twee dagen! Of misschien drie. Of vier...
Sander